Bedankt voor dit bezoek. Viruswaarheid gaat door als Voorwaarheid!

Naar een Plakkaat van Verlating

Door Mr. Jeroen S. Pols
Dit artikel is geplaatst in Gezond Verstand nr. 28 van 10 november 2021

 

Het coronabeleid stelt veel mensen voor een moeilijk dilemma. Als gezagsgetrouwe burgers willen zij zich het liefst aan de voorgeschreven wetten en regels houden, maar bij een systeem van regels die de menselijke waardigheid aantasten staan gewetensbezwaren in de weg. In deze situatie ontstaat de morele plicht tot burgerlijke ongehoorzaamheid.  

Na de Tweede Wereldoorlog was de mensheid vastberaden om een herhaling te voorkomen van regimes die de menselijke waardigheid aanvallen. Staten werden verplicht om fundamentele vrijheden en mensenrechten te beschermen. 

De juristen die het internationale mensenrechtensysteem tot stand brachten, zagen zich voor een probleem gesteld. De tot dan toe geldende leer was het ‘rechtspositivisme’ met als uitgangspunt dat in verband met de rechtszekerheid door de bevoegde macht uitgevaardigde wetten en regelgeving door de bevolking blind opgevolgd dienen te worden. Ook als dit tegen het eigen geweten inging.

De belangrijkste les uit de nazitijd is echter juist dat recht en moraal niet van elkaar te scheiden zijn. De nationaalsocialisten voltrokken hun gruwelijkheden en moordpartijen in overeenstemming met de toen door staatsorganen uitgevaardigde regelgeving. Ambtenaren en burgers pleegden daardoor misdrijven doordat zij de wet volgden. Wij leerden daarvan dat de oorsprong van fundamentele vrijheden en mensenrechten dus nooit meer bij een staatsorgaan mocht liggen. Volgens het rechtspositivisme is in deze situatie een hogere bron voor het ontstaan van deze rechten vereist. 

De oplossing was een terugkeer naar het natuurrecht dat al in de oudheid de heersende leer was. Grotius, Hobbes, Locke en Rousseau vormden op grond van deze leer de voorloper van de mensenrechtentheorie in zijn moderne vorm. Het uitgangspunt van het natuurrecht is dat elk mens vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren wordt. Het geweten en de vrijheid van denken vinden in deze theorie de hoogst mogelijke 

bescherming. Wij hebben deze rechten dus niet omdat onze overheid ons deze gunt; het zijn onvervreemdbare rechten. De staat heeft daarmee geen bevoegdheid deze weg te nemen. Dit werd het uitgangspunt van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en andere mensenrechtenverdragen.

Staten zijn verplicht deze rechten te beschermen. Nazi-Duitsland bewees dat dit onvoldoende is om de rechtsstaat voor de eeuwigheid te waarborgen. Als alle ‘checks and balances’ in een staat falen, draagt de burger dus de eindverantwoordelijkheid om in te grijpen. 

In veel landen voorziet de grondwet in deze situatie. Zo staat in artikel 20 lid 4 van de Duitse grondwet dat elke Duitser het recht heeft zich te verzetten tegen eenieder die probeert de democratische rechtsorde af te schaffen. Sommige Duitse deelstaten gaan nog verder en verplichten in deze situatie tot verzet. Het recht op verzet is een universeel recht, ook als dit zoals in Nederland niet wettelijk is vastgelegd.

Het constitutionele hof in Karlsruhe gaf in 1956 in de uitspraak KPD-Verbot een nadere uitleg over de situatie waarin burgers het recht hebben om verzet te plegen. Het moet gaan om ‘een situatie waarin de staatsorganen uit minachting van wet, recht en grondrechten de bevolking en de staat als geheel ruïneren in een omvang dat de nog bestaande rechtsmiddelen niets meer uithalen’. 

In het naoorlogse Nederland deed zich een dergelijke situatie nooit voor. Dat is nu anders. Het demissionaire kabinet Rutte ruïneert de Nederlandse rechtsorde en doet een frontale aanval op de menselijke waardigheid. De samenleving koerst af op een situatie waarin fundamentele vrijheden en rechten verworden tot een gunst als beloning voor gehoorzaamheid. 

Toch spreekt slechts een minderheid van de bevolking zich uit of weigert deze onethische en immorele regelgeving te volgen. Het gemak en vanzelfsprekendheid waarmee Nederlanders hun vrijheden opgaven, is beangstigend. Het besef dat honderdduizenden mensen hun leven gaven in een gevecht voor een vrij en menswaardig bestaan, lijkt uit ons collectieve bewustzijn te zijn verdwenen. Vooral de naoorlogse generaties tonen een onbegrensd vertrouwen en een slaafse gehoorzaamheid aan de staatsmacht. Met vrijheid is het net zoals met gezondheid: de onschatbare waarde wordt pas duidelijk als die weg is.

Dit was ooit anders. Met het Plakkaat van Verlating van 26 Juli 1581 verwierp de bevolking het gezag van Filips II met de verklaring dat als een vorst zijn plichten niet nakomt en hen probeert te onderdrukken als slaven, hij dan geen vorst maar een tiran is. In dat geval heeft de bevolking geen andere middelen om hun natuurlijke vrijheid, waarvoor men zich met hart en ziel dient in te zetten, veilig te stellen. 

Noch de rechtspraak, noch de volksvertegenwoordiging noch andere staatsmachten komen ons redden. Wij zijn op onszelf aangewezen om onze aangeboren rechten te beschermen en hebben de verantwoordelijkheid deze vrijheden te behouden voor toekomstige generaties. Ook als dat offers vergt. In de huidige situatie is burgerlijke ongehoorzaamheid niet alleen toegelaten. Het is onze plicht. Als wij massaal ons geweten volgen en de onzinnige en misdadige regels negeren en onze vrijheden terughalen, dan houdt het morgen op. Laat dat onze Plakkaat van Verlating zijn.  

 

Meld je aan voor de nieuwsbrief