Bedankt voor dit bezoek. Viruswaarheid gaat door als Voorwaarheid!

ESG, DEI en de opkomst van nep-rapportage

Door Paul Frijters, Gigi Foster en Michael Baker

 

Het originele Engelstalige artikel kun je hier lezen.

We weten dat het moderne Westen een mate van totalitarisme heeft ontwikkeld waar je mond van openvalt: de overheidsbureaucratieën en het bedrijfsleven werken hierin samen om mensen buiten hun machtsnetwerken en mediakanalen lam te leggen. Maar hoe werkt deze coördinatie? Om een van de spelletjes die ze spelen te begrijpen, kun je kijken naar de opkomst van maatregelen en normen die geassocieerd worden met DEI (Diversity, Equity, and Inclusion) en ESG (Environmental, Social, and Governance). Het zijn beide erg abstracte begrippen en ten tweede is het ook nog slecht taalgebruik.

ESG als term werd bedacht in een rapport van de Verenigde Naties uit 2006 en werd geleidelijk overgenomen door particuliere bedrijven zoals BlackRock via de productie van jaarlijkse ESG-rapporten. Vervolgens begonnen overheden deze vrijwillige inspanningen te ondersteunen en uiteindelijk verplicht te stellen. Sinds begin 2023 zijn bedrijven in de EU verplicht om te rapporteren over ESG. Veel Amerikaanse bedrijven met dochterondernemingen in de EU moeten zich aan zowel Amerikaanse als Europese regels houden, en de bedrijven in de Aziatisch-Pacifische regio beginnen ook aan ESG-theater te doen.

Kortom, ESG ontstond in de internationale ivoren torens en groeide vervolgens, ongecontroleerd door vervelende beperkingen uit de echte wereld, zoals schaarste en compromissen, uit tot een soort kwaadaardige joint venture [JV, red.] tussen grote overheidsbureaucratieën en grote bedrijven.

Deze JV is een serieuze bedrijfstak die lucratieve mogelijkheden biedt om geld te verdienen voor adviesbureaus, fondsbeheerders en allerlei professionals die bedrijven ‘helpen’ om zich aan de regels te houden. Bahar Gidwani, mede-oprichter van het bedrijf CSRHub, een samensteller en leverancier van ESG-bedrijfsbeoordelingen, schat dat alleen al het verzamelen van ESG-gegevens bedrijven wereldwijd 20 miljard dollar kost.

Het is ook een groeiende industrie, omdat de rapportagevereisten blijven toenemen: volgens recente rapporten schat het hoofd van de Amerikaanse Securities and Exchange Commission [Toezichthouder financiële handel VS, red.] dat de kosten van ESG-rapportage door de bedrijven waarop zij toezicht houdt dit jaar kunnen verviervoudigen tot $8,4 miljard, voornamelijk door de invoering van meer ESG-eisen. En dat is alleen nog maar in de VS.

Hoge rapportagekosten zijn voor grote bedrijven gemakkelijker te dragen, wat een aanwijzing is voor hun interesse: dit soort lasten, vooral wanneer ze door de staat verplicht worden gesteld, helpt hen hun kleinere concurrenten te domineren. ‘Barriers to entry’ noemen economen dat.

DEI is het jongere broertje van ESG. Op dit moment is DEI-rapportage nog niet verplicht, maar ongeveer 16% van de grootste bedrijven in de VS heeft publieke DEI-rapporten en de DEI-rage groeit, misschien wel om uiteindelijk ESG te overschaduwen. Net als ESG komt DEI voort uit de geweldige wereld van wollige abstracties, grote bedrijven en overheden. Ondanks pogingen om het anders te laten lijken, is het helemaal niet basaal.

De goedaardig klinkende doelstellingen van ESG

ESG-maatregelen en -rapporten gaan zogenaamd over het meten of de activiteiten van bedrijven ‘duurzaam’ zijn, en vooral of bedrijven hun CO2-voetafdruk verminderen. DEI gaat over de vraag of het personeelsbeleid van een bedrijf ‘gelijkheid’ tussen gender en ras bevorderen, ‘veilige ruimten’ bieden en gebruik maken van wereldwijde toeleveringsketens die zich houden aan ‘eerlijke’ praktijken. De meeste redelijke mensen zullen het ermee eens zijn dat veel van deze doelen in principe de moeite waard zijn. Wat wordt bepleit klinkt zorgzaam en lijkt op het eerste gezicht op geen enkele manier destructief.

Maar praten is altijd goedkoop. Hoe worden deze mooie ideeën in de praktijk toegepast wanneer ze geconfronteerd worden met de harde realiteit van metingen? Laten we eens kijken naar een typerend voorbeeld uit een bedrijfsrapport.

Grab Holdings uit Singapore

Veel Aziatische bedrijven zijn verstrikt geraakt in het ESG-nalevingssysteem omdat ze genoteerd staan aan Westerse financiële beurzen. Eén zo’n bedrijf is de in Singapore gevestigde ‘superapp’ Grab Holdings, genoteerd aan de Nasdaq. Klanten hebben voornamelijk contact met Grab Holdings via een mobiele telefoon app, waarvan ze veel verschillende diensten kunnen afnemen (voedselbezorging, e-commerce, taxidiensten, financiële diensten, etc.), vandaar de term ‘superapp’.

Grab is niet winstgevend, maar wel heel zichtbaar. Voor de eerste helft van 2023 verloor het 398 miljoen dollar, boven op de 1,74 miljard dollar die het in 2022 verloor. Grab is echter actief in sectoren – met name voedselbezorging en taxidiensten – met serieuze effecten op het milieu en de mens in een uitgestrekte regio van 400 steden en dorpen in acht Zuidoost-Aziatische landen. Voor iedereen die woont waar Grab actief is, zijn de snelle, groengekleurde motorrijders net zo bekend als de gele taxi’s voor New Yorkers of de rode dubbeldekkers voor Londenaren.

Het bedrijfsmodel van Grab is inherent niet geweldig voor de veiligheid van zijn chauffeurs en het publiek. Grab gebruikt routing en andere technologie om rijders te koppelen aan leveringen en om zowel de wachttijd voor chauffeurs als de levertijd voor klanten te minimaliseren. De planning is zeer efficiënt dankzij de technologie, wat betekent dat chauffeurs strakke tijdschema’s hebben met flinterdunne commissies.

Om geld te verdienen moeten de chauffeurs van Grab (en zijn concurrenten) moedig en agressief zijn op de weg. Sommigen zijn echte waaghalzen – de Evel Knievels van Zuidoost-Azië – zoals we persoonlijk hebben kunnen zien. Niet alleen dat, maar er is ook stevige concurrentie in elk van de markten waarin Grab actief is. Grab zegt zelf dat 72% van zijn vijf miljoen chauffeurs dubbele diensten verricht, zowel voor voedselleveringen als taxidiensten. Dit maakt het bedrijf een efficiëntere dienstverlener in beide moordende bedrijfstakken en geeft chauffeurs de kans om meer geld te verdienen.

Ondanks het feit dat het geen winst maakt – althans nog niet – heeft Grab geld uitgegeven aan een ESG-rapport dat in zijn laatste versie (2022) 74 pagina’s lang en bijna net zo heroïsch was als zijn bestuurders.

De inleidende pagina’s zijn gevuld met de gebruikelijke marketingpraatjes, vol met grote foto’s van motorrijders van het bedrijf die grijnzen van oor tot oor, omdat ze zo dankbaar zijn dat ze deel uitmaken van zo’n geweldige organisatie. De uniformen op de foto’s zijn netjes en schoon, in tegenstelling tot de werkelijkheid, waarin de groene uniformen van de chauffeurs bijna altijd vettig en smoezelig zijn en de chauffeurs er vaak, begrijpelijkerwijs, gestrest en somber uitzien.

Dieper in het ESG-rapport geeft Grab ons vijf pagina’s over hoe bewonderenswaardig het bedrijf presteert op het gebied van verkeersveiligheid, acht pagina’s over de uitstoot van broeikasgassen, één over luchtkwaliteit, vier over afval van voedselverpakkingen en acht over inclusiviteit.

Poppenkast, akte eén: verkeersveiligheid

Het deel van het rapport over verkeersveiligheid is van speciaal belang, omdat de wegen in Zuidoost-Azië terecht een dodelijke reputatie hebben voor motorrijders, en veel van de chaos wordt veroorzaakt door de bezorgers zelf. Een onderzoek in Maleisië rapporteerde bijvoorbeeld dat 70% van de motorrijders die voedsel afleveren verkeersregels overtraden tijdens het afleveren, en de meerderheid van de overtredingen betrof: illegaal stoppen, door rood licht rijden, telefoneren tijdens het rijden, in de verkeerde richting rijden en illegale U-bochten maken. De statistieken over ongelukken waarbij deze chauffeurs betrokken waren, zijn grimmig om te lezen.

Andere onderzoeken op basis van enquêtes onder chauffeurs vertellen een nog grimmiger verhaal. Een onderzoek uit 2021 onder chauffeurs van voedselbezorgers in Thailand wees uit dat 66% van de meer dan 1000 respondenten één tot vier ongelukken had gehad tijdens het werk, waarbij 28% meer dan vijf ongelukken meldde. Dit klopt met de reputatie: in landen als Thailand, waar handhaving van de verkeerswetgeving eerder uitzondering dan regel is, is gevaarlijk rijgedrag door tweewielers berucht.

Het is dan ook met enige verbazing dat je in het ESG-rapport van Grab leest dat er slechts iets minder dan één ongeval is voor elke miljoen ritten waarbij een bezorger van Grab betrokken is. Dat aantal ligt minstens honderd keer lager dan de aantallen die uit zelfrapportages naar voren komen. Je kunt ervan uitgaan dat veel ongelukken waarbij bezorgers betrokken zijn niet aan het bedrijf worden gemeld, vooral als er geen of weinig letsel is of als de bezorger bang is zijn baan te verliezen.

Deze laatste zorg is niet ongegrond, aangezien Grab beweert dat het een zero-tolerance beleid heeft ten opzichte van overtreders van de gedragscode van het bedrijf, waaronder het niet naleven van verkeersregels. Dit betekent dat het aantal geclaimde ongevallen per rit gebakken lucht is. Het rapport zegt niet echt waar het bedrijf dit getal vandaan haalt, hoewel degene die het heeft opgeschreven waarschijnlijk een bepaalde redenering in gedachten had. Je zou je iets kunnen voorstellen als “Klinkt laag, en domme westerlingen zullen het geloven”.

Poppenkast, akte twee: de strategie van Grab om de planeet te redden

Nadat het ESG-rapport van Grab de verkeersveiligheidskwestie uit de weg heeft geruimd, gaat het verder met de vraag hoe het bedrijf de planeet zal redden. De uitstoot van broeikasgassen door het bedrijf steeg in de loop van het jaar door ‘normalisatie’ na covid, maar de auteur van het rapport ontwijkt het probleem op slinkse wijze door te zeggen dat het grootste deel van de uitstoot afkomstig was van voertuigen die eigendom waren van de ‘vervoerspartners’ en niet van het bedrijf zelf. Dus, terwijl de directe schuld voor de uitstoot van broeikasgassen wordt ontweken, wordt als prioriteit van het bedrijf genoemd ‘het ondersteunen van onze vervoerspartners bij de overgang naar voertuigen met een lage uitstoot en het stimuleren van vervoerswijzen zonder uitstoot’.

Het is echt niet duidelijk hoe die wollige ‘overgang’ tot stand zou kunnen komen, aangezien conventionele motorfietsen een goedkope en handige vorm van vervoer zijn in Zuidoost-Azië, die gemakkelijk andere beschikbare opties overtreffen voor het vuile werk dat nodig is voor het bedrijfsmodel van Grab. Het rapport zegt dat het fietsen, lopen en elektrisch rijden zal aanmoedigen. De eerste twee zijn natuurlijk in de meeste gevallen uitgesloten voor het bezorgen van voedsel, en wat de derde betreft: voor de overgrote meerderheid van de tweewielerberijders is het upgraden naar elektrisch rijden een utopie (of een nachtmerrie, afhankelijk van hoeveel ze weten over oplaad-, gewichts- en onderhoudsproblemen).

Een van de mooie kanten van het feit dat Grab een platform is dat eetgelegenheden met chauffeurs verbindt zonder zelf restaurants te exploiteren, is dat – net als bij de uitstoot van broeikasgassen – voedselverpakkingsafval niet echt de directe verantwoordelijkheid van Grab is. Het is de verantwoordelijkheid van de restaurants en voedselproducenten, zoals de eigenaren van de fabrieken die al die vervelende kleine zakjes ketchup, sojasaus en andere specerijen maken.

Briljant! Met deze truc in het achterhoofd schrijft dit deel van het ESG-rapport zichzelf vervolgens als een oefening in handenwringen, waarbij met gefronste wenkbrauwen wordt toegegeven dat voedselverpakkingsafval een serieus probleem is en wordt verklaard dat het bedrijf als doel heeft ‘Nul verpakkingsafval in de natuur tegen 2040’. Wat dit precies inhoudt en hoe het bereikt moet worden is in nevelen gehuld, maar voor iedereen wiens strandvakantie ooit is ontsierd door de lelijke aanblik van plastic zwerfafval op de kustlijn, klinkt het erg goed.

Poppenkast, akte drie: gelijkheid, diversiteit en inclusiviteit

Het grootste deel van dit deel van het rapport bestaat uit beschrijvende marketing: de juiste dingen zeggen en af en toe een lichtend voorbeeld laten zien, zonder al te veel in detail te treden. De belangrijkste statistieken die worden gegeven zijn dat 43% van de werknemers van Grab vrouw is en dat 34% van de werknemers in ‘leidinggevende posities’ vrouw is. Misschien is dat waar als je de paar duizend directe werknemers meetelt waaronder veel secretaresses, maar niet de vijf miljoen ‘vervoerspartners’, die voor het overgrote deel mannen zijn. Het rapport zegt ook dat vrouwelijke werknemers 98% verdienen van wat mannen verdienen, wat vermoedelijk betekent dat de enkele mannelijke secretaresse net zo slecht wordt behandeld als zijn vrouwelijke collega’s.

Dit gedeelte van het rapport laat andere inventieve labeling zien. Er wordt ons verteld dat het bedrijf ‘Inclusiviteitskampioenen’ heeft, een groep werknemers die ‘bijdragen aan inclusiviteit door middel van crowdsourcing van ideeën en feedback ter plaatse voor betere inclusiviteitsinitiatieven. Ze helpen ook om collega’s van Grab te identificeren en te coachen naar meer inclusief gedrag, en ze zijn medeverantwoordelijk voor projecten die bijdragen aan inclusiviteit. Wie weet wat dat echt betekent? Je zou kunnen denken dat ‘crowdsourcing van ideeën’ de nieuwe term is voor het hebben van een ideeënbus, en dat zo’n beetje elke e-mail die door HR wordt verstuurd kan worden aangemerkt als een vorm van ‘inclusiviteitscoaching’. De ontvanger wordt tolerantie en inclusiviteit voor die bagger aangeleerd.

Het rapport van Grab lijkt dus ESG- en DEI-gerelateerde kwesties aan te pakken, maar er is geen realistisch mechanisme dat ze koppelt aan daadwerkelijke resultaten en er is geen realistische externe verificatie. Zelfs schijnbaar eenvoudige dingen, zoals tellen hoeveel brandstof een bedrijf direct inkoopt voor zijn processen en daarmee de omvang van zijn ‘CO2-voetafdruk’ inschatten, zijn kinderspel om te verdoezelen, zoals blijkt uit de meesterlijke rapportage van Grab: door werknemers en dochterondernemingen simpelweg te dwingen hun eigen brandstof te kopen (gecompenseerd via hogere lonen of andere zaken) lijkt de voetafdruk van het bedrijf zelf dramatisch lager, terwijl er niets wezenlijks hoeft te veranderen. Het is allemaal een gigantische poppenkast.

Wie vraagt om deze onzin?

Hoewel het misleidend, oncontroleerbaar en meestal verzonnen is, is ESG-rapportage een manier om de ‘ESG-prestaties’ van een bedrijf formeel te presenteren. Deze prestaties kunnen theoretisch ‘gescoord’ worden door een derde partij en zo vergeleken worden met die van andere bedrijven. Als ESG door consumenten hoog wordt gewaardeerd, dan zouden bedrijven die hoog scoren onevenredig veel investeringen moeten aantrekken, wat betekent dat hun kapitaalkosten lager zullen zijn dan bedrijven die niet zo goed scoren – de magie waarmee een onzinrapport wordt omgezet in een zakelijke kans.

Dit is ook heerlijk voer voor fondsbeheerders, die de aandelen van bedrijven kunnen bundelen in ‘ESG-fondsen’ of ‘duurzame fondsen’ of wat dan ook, en beleggers vette vergoedingen in rekening kunnen brengen voor het voorrecht om hierin te beleggen. Fondsbeheerders hebben nog een andere motivatie om aan te zetten tot meer ESG-rapportage: hun fondsen zijn niet ontworpen om de wereld groener of mooier te maken, maar om te laten zien welke bedrijven zich het beste aanpassen en het beste gedijen in een wereld waarin daadwerkelijk ‘vooruitgang’ wordt geboekt op het gebied van ESG-doelen (bijvoorbeeld ‘netto nul’).

Hoe groot is deze markt? Volgens Morningstar waren er aan het eind van het derde kwartaal van 2023 wereldwijd meer dan 7.600 ‘duurzame’ fondsen, waarvan bijna 75% in Europa en 10% in de VS. Deze fondsen hadden een vermogen van $ 2,7 biljoen. Sinds het eerste kwartaal van 2022 is de wereldwijde instroom in deze fondsen echter sterk gedaald. Terwijl ze in Europa nog steeds meer instroom aantrekken dan niet-duurzaamheidsfondsen, geldt dit niet voor de VS. Door de tanende belangstelling in de VS worden er steeds minder nieuwe ESG-fondsen gelanceerd en in het derde kwartaal van 2023 waren er meer exits van ESG-fondsen dan nieuwkomers.

Tijdens de eerste twee jaar van covid presteerden Amerikaanse ESG-aandelen veel beter dan conventionele aandelen. Dit is niet verwonderlijk, omdat technologiebedrijven het vrij goed deden door de lockdowns, en ze hebben ook hoge ESG-scores vanwege hun lagere CO2-voetafdruk dan ontaarde ‘oude economie’-bedrijven. Toch zijn de ESG-aandelen sinds het begin van 2022 teruggevallen en komen nu nog maar net in de buurt van de markt. Ter indicatie: in de zeven kwartalen eindigend op 30 september 2023 daalde de S&P [Standard & Poor’s, red.] ESG Index met 7,3%, terwijl de S&P 500 met 9,4% daalde.

Belangrijk is dat veel beleggers in ESG-fondsen zelf overheidsinstellingen zijn, zoals openbare pensioenfondsen, waar de afstand tussen beleggingsbeslissing en persoonlijke gevolgen zo groot is als maar kan. De uiteindelijke betalers van dit circus zijn dus vaak de gewone mensen wier pensioenen, zonder dat ze het zelf weten, worden gebruikt door publieke fondsbeheerders om deugdzaamheidssignalen af te geven.

Wie wint en wie verliest?

Leren hoe je deze prestatierapporten moet schrijven en ermee moet sjoemelen vergt veel middelen, maar als een bedrijf het eenmaal heeft geleerd, wordt het spel makkelijk te spelen. ESG-rapportage is daarmee één voorbeeld van de bredere realiteit dat instemming met externe bureaucratieën grotendeels eenmalige vaste kosten met zich meebrengt, en in dit geval zijn de kosten vaak hoog genoeg om een klein bedrijf failliet te laten gaan of te voorkomen dat iemand een nieuw bedrijf begint. Dit betekent dat, net zoals de bizarre regels uit het covid-tijdperk een geschenk waren voor grote bedrijven in de vorm van concurrentievoordeel, ESG- en DEI-rapportage een mechanisme vormen waarmee grote bedrijven de concurrentie van kleinere bedrijven de nek om kunnen draaien.

Dit is, denken wij, de reden waarom dit soort onzinnige rapportering geen tegenstand krijgt van de grootste bedrijven die nog geen natuurlijke monopolies hebben, het komt hun gewoon goed uit. Ze zijn groot genoeg om de kosten te dragen zonder een groot effect op de winst, en ze krijgen er een sterkere positie in hun markten voor terug. Ze steunen natuurlijk de grote bureaucratieën die deze rapporten verplicht stellen. Grote adviesbureaus en de eerder genoemde fondsbeheerders houden ook van het idee van verplichte verslaglegging omdat het werk voor hen creëert.

Over dit onderwerp stelde Michael Shellenberger onlangs op Tucker Carlson’s kanaal dat grote traditionele energiebedrijven werden geleid door lafaards die “tot onderwerping waren gepest”: dat de ESG-beweging “politiek activisme en de pensioenfondsen had gebruikt om druk uit te oefenen op de olie- en gasindustrieën om in feite hun belangrijkste product op te geven”. Hij noemde de ESG-beweging een “anti-menselijke doodscultus” en beweerde dat “het eindelijk duidelijk wordt voor mensen dat het oplichterij is.”

Wat dat laatste punt betreft, hopen we dat hij gelijk heeft.

Toch verspreidt de zwendel zich nog steeds, omdat er nog veel meer onproductieve mensen staan te trappelen om aan boord te klimmen. De druk op bedrijven om in de ESG-rapportagetrein te springen beperkt zich niet tot het Westen. Regelgevers in Azië dringen er ook op aan – in sommige landen, zoals Singapore, harder dan in andere – om ESG-rapportage verplicht te stellen in plaats van optioneel te laten. Omdat ze een enorme kans zien om waardevolle middelen hun kant op te sturen, komt er ook een groep adviesbureaus achter bedrijven aan om hen te adviseren over hoe ze de ESG-kloof met het meer geavanceerde Westen kunnen overbruggen. Bedrijven in Azië beginnen in de pas te lopen en broeden plichtsgetrouw hun ESG-rapporten uit, waardoor het bedrog nog meer leven wordt ingeblazen.

Zal dit uiteindelijk crashen en in rook op gaan?

Kwaadaardige managers van grote bedrijven begrijpen dat onzinnige rapportage-eisen een bron van concurrentievoordeel kunnen zijn, waardoor kleinere concurrenten in financiële problemen kunnen komen. Het voordeel voor de staatsbureaucratie en de bedrijfsbureaucratie is dat het hen deugdzaam doet lijken, terwijl het een enorme mist van geheimzinnigheid creëert over wat ze eigenlijk aan het doen zijn, waardoor ze zowel banen als een dekmantel hebben.

Net als de ‘woke’-beweging zijn ESG en DEI in wezen parasitaire ontwikkelingen, afkomstig uit een aftakelend Westen, verdedigd door nuttelozen en onwetenden, en in het voordeel van de gewieksten en corrupten.

Dergelijke kwaadaardigheden verzwakken onze samenleving en moeten bij de eerste de beste gelegenheid worden afgedankt. Net zoals Elon Musk 80% van de Twitter-medewerkers de deur wees zonder verlies van functionaliteit, en net zoals we eerder hebben bepleit dat 80% van de werkgelegenheid in ‘gezondheidsberoepen’ nutteloos is, zo denken we ook dat het ontslaan van alle professionals die zich primair bezighouden met ESG en DEI kan worden gedaan zonder verlies van functionaliteit. We denken niet dat dit op korte termijn zal gebeuren.

Als dat zou gebeuren, wat zou je dan doen met al die onproductieve werknemers die al maanden of jaren uit de ruif met ESG/DEI-woordsalade eten? Hun een tijdje betalen om stenen te schilderen zou hen tenminste uit de weg ruimen. Beter nog, een voorbeeld nemend aan wat het Ontario College of Psychologists onlangs heeft voorgesteld voor Jordan Peterson, deze mensen zouden gemeenschappen kunnen helpen die worstelen met werkelijke problemen, zoals slecht onderwijs of te weinig stikstof. Denk aan omscholingsprogramma die erop gericht zijn om de onproductieven weer nuttig te maken voor hun samenleving. Weg van de ESG- en DEI-onzin, op naar liefde en waarheid.

 

Meld je aan voor de nieuwsbrief